Huidproblemen na transplantatie

Een transplantatie betekent vaak een levenslange behandeling met medicijnen die afstoting tegengaan. Deze medicijnen kunnen huidproblemen veroorzaken.
Een transplantatie is een ingrijpende gebeurtenis in iemands leven. Niet alleen moet het verder leven met een orgaan of lichaamsdeel dat van iemand anders is geweest mentaal worden verwerkt. Ook betekent een transplantatie in veel gevallen een levenslange behandeling met medicijnen die de afstoting van het getransplanteerde orgaan moeten tegengaan. Deze medicijnen kunnen bijwerkingen geven, waaronder huidproblemen.

Afstoting

Uw lichaam reageert op het getransplanteerde orgaan op een soortgelijke manier als bij een infectie. Uw immuunsysteem wordt aan het werk gezet om het nieuwe, lichaamsvreemde weefsel af te stoten. De kans hierop wordt zo klein mogelijk gehouden door de eigenschappen van het donororgaan zorgvuldig te matchen met uw lichaam. Toch zullen de meeste patiënten de rest van hun leven dagelijks medicijnen moeten innemen die de natuurlijke afstotingsreactie tegengaan, zogenaamde immunosuppressiva. Hierdoor wordt uw immuunsysteem verzwakt en is de vatbaarheid voor onder andere infecties, zoals een verkoudheid of griep, vergroot.

Immunosuppressiva

Na een transplantatie is meestal een groot aantal medicijnen nodig om ervoor te zorgen dat het eigen afweersysteem het getransplanteerde orgaan niet afstoot. Deze afweer onderdrukkende medicijnen worden immunosuppressiva genoemd. De meest gebruikte middelen uit deze groep zijn azathioprine (Imuran), ciclosporine (Neoral), mycofenolzuur (CellCept), sirolimus (Rapamune) en tacrolimus (Prograft).

Bijwerkingen van transplantatiemedicijnen

De meest voorkomende bijwerkingen van de immunosuppressiva hebben te maken met de werking. Door het onderdrukken van uw afweersysteem is de kans dat u een infectie krijgt vergroot. Dit kunnen bijvoorbeeld blaasinfecties of infecties aan de luchtwegen zijn, maar ook huidinfecties, zoals gordelroos, een koortslip en schimmelinfecties komen vaker voor. De verminderde afweer zorgt ook voor een grotere kans op huidkanker. Gebruikt u immunosuppressiva, dan is een zorgvuldige zelfcontrole van uw huid van groot belang.
Naast immunosuppressiva gebruiken veel transplantatiepatiënten corticosteroïden. Dit zijn ontstekingsremmende geneesmiddelen, zoals prednisolon en dexametason. Corticosteroïden kunnen uw huid dunner maken, waardoor gemakkelijker blauwe plekken en wondjes ontstaan. Daarnaast neemt het aantal kleine bloedvaatjes in het gezicht toe. Dit wordt couperose genoemd. Ook neemt de kans op acne toe.

Huidinfecties

Infecties van de huid kunnen worden veroorzaakt door virussen, schimmels of bacteriën. Door het gebruik van immunosuppressiva vermindert de afweer van uw huid tegen al deze micro-organismen. Voorbeelden van virale huidinfecties zijn wratten, een koortslip en gordelroos. Wratten kunnen worden behandeld door aanstippen met stikstof, of met een zalf of aanstipvloeistof met salicylzuur. Een koortslip kan worden behandeld met een antivirale crème of producten die de blaasjes uitdrogen. Gordelroos wordt meestal met antivirale middelen op doktersrecept behandeld.
Schimmelinfecties kunnen zich op allerlei plekken op uw huid voordoen, maar relatief vochtige plekken, zoals de voeten, de nagels en het vaginaslijmvlies worden het meest aangedaan. Schimmelinfecties op de huid en slijmvliezen kunnen goed worden behandeld met lokale antischimmelmiddelen. Infecties van de nagels moeten met antischimmelmiddelen op doktersrecept worden behandeld.
Bacteriën zijn de meest voorkomende oorzaak van infecties als acne en folliculitis. Acne is de infectie van een talgkliertje. Folliculitis de infectie van een haarzakje. Acne en folliculitis worden meestal behandeld met plaatselijke antibiotica. Een lichte vorm van acne kan ook met zelfzorgmiddelen worden behandeld.

Voorkómen van huidinfecties

Huidinfecties zijn moeilijk te voorkomen wanneer u immunosuppressiva gebruikt. De belangrijkste maatregel is een goede persoonlijke hygiëne. Voorkom echter uitdroging van uw huid en slijmvliezen door wassen met zeep. Een droge huid vertoont kleine kloofjes en barstjes in de hoornlaag, waardoor het een minder goede barrière vormt tegen infecties. Probeer een droge huid soepel te houden door het gebruik van vette huidverzorgingsproducten. Gebruik liever geen crèmes of bodylotions die snel intrekken, want deze bevatten veel water en dat heeft weer een uitdrogend effect op de huid. Bij uw apotheek zijn crèmes verkrijgbaar die weinig water bevatten en prettig zijn in het gebruik.

Plaveiselcelcarcinoom

Bij inname van afweer onderdrukkende medicatie neemt de kans op het krijgen van plaveiselcelcarcinoom fors toe. Plaveiselcelcarcinoom is een tumor van de cellen van de huid die hoorn aanmaken. Deze tumoren kunnen op de huid en op de slijmvliezen ontstaan. Bij normale immuniteit zijn ze relatief ongevaarlijk en meestal goed te genezen. Ze komen vooral voor bij oudere personen op plaatsen die aan de zon worden blootgesteld, zoals het gezicht, de handruggen en de kalende hoofdhuid. Plaveiselcelcarcinomen komen vaak samen voor met wratachtige letsels. Ze komen ook vaak voor op de onderlip. De kans op dit soort huidkanker neemt toe naarmate men langer getransplanteerd is en het verloop van de kanker is ook agressiever dan bij patiënten die geen immunosuppressiva gebruiken.

Voorkomen van plaveiselcelcarcinoom

De belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van plaveiselcelcarcinoom die u zelf kunt beïnvloeden is de blootstelling aan zonlicht. Bescherm uzelf tegen de schadelijke UV-straling in zonlicht met een zonbeschermingsmiddel met een hoge beschermingsfactor. Blijf daarnaast bij voorkeur tussen 12.00 en 15.00 uur in de schaduw en draag hoofdbedekking wanneer u in de zon komt.


Trustpilot
Betalen met iDeal Betalen met Visa Betalen met Maestro   Onlinegeschillenbeslechting

Een moment geduld aub...

Toegevoegd aan je winkelmand

Verder winkelen
Naar kassa en afrekenen
Verder winkelen
Naar kassa en afrekenen